De geschiedenis van het parachutespringen gaat verder terug dan menigeen denkt. In oude archieven in China zijn al bewijzen voor parachuteachtige ontwerpen gevonden die dateren van rond de 12e eeuw. De eerste schetsen werden voor zover bekend gemaakt door Leonardo da Vinci in 1485. Maar het ontwerp werd voor zover bekend nooit getest (tot 8 juli 2000 toen Adrian Nicholas het ontwerp testte: het werkte!). In 1595 kwam Fausto Veranzio een Hongaarse wiskundige die in Italië woonde, met het idee van een parachute als "valbreker" en beschreef verschillende, succesvolle testsprongen vanaf een toren in Venetië. Hard bewijs van deze sprongen is nooit aangetroffen. Pas eind 18e eeuw werd de parachute daadwerkelijk gebruikt door Joseph Montgolfier, die behalve het ontwikkelen van ballonnen ook geïnteresseerd was in parachutes. Aanvankelijk deed hij eerst tests met dieren vanaf torens, maar later werden deze uitgevoerd vanuit zijn ballonnen en sprong hij uiteindelijk (succesvol) zelf. De eerste officiële parachutesprong komt echter op naam van Andre-Jacques Garnerin, een Fransman die leefde van demonstraties en stunts, op 22 oktober 1797.
Vanwege de risico's die kleefden aan de ontwikkeling van ballonnen werd de parachute van het begin af aan gezien als een reddingsmiddel. Maar pas op 14 juli 1808 vond de eerste geregistreerde zelfredding plaats door de Poolse aëronaut Jordaki Kuparento, die uit zijn brandende ballon sprong boven Warschau. De verdere ontwikkeling van de parachute ging erg geleidelijk en traag gedurende de 19e eeuw en de halve bolvorm veranderde weinig. Een groot probleem bij de bolvorm was het oscillerende effect, veroorzaakt door de lucht onder het doek, wat schommelingen veroorzaakte. De oplossing hiervoor werd bedacht door de Franse astronoom Lelandes die voorstelde een gat in de top te maken van de parachute. De "apex" was geboren. De ontwikkeling van vliegtuigen aan het begin van de 20e eeuw zorgde voor een versnelling in de ontwikkeling van parachutes en parachutespringen.
In 1890, sprongen Paul Letteman en Kaethe Paulus, Duitse demonstratiespringers voor het eerst met in bags gevouwen parachutes uit een ballon als onderdeel van een stunt. Maar Grant Morton was in 1911 de eerste die uit een Wright Model B vliegtuig sprong boven Venice Beach, Californië. Hij had de parachute gewoon opgevouwen onder zijn arm en tijdens de sprong gooide hij deze gewoon in de lucht.
Al deze parachutes werden vlak na de afsprong geopend of door middel van een openingssysteem verankerd aan het object waar vanaf werd gesprongen. Deze methode bleek niet altijd even geschikt voor emergency exits uit vliegtuigen en in 1908 ontwikkelde Leo Stevens de eerste parachute die in de vrije val door de springer geopend kon worden door middel van een "ripcord". Toch werd dit systeem nauwlijks gebruikt tot 1920. In het verlengde hiervan ontwikkelde een Italiaan genaamd Pino in 1911 de "pilotchute". Een klein opgevouwen parachuutje die door de springer in de luchtstroom wordt gegooid en de grote parachute opentrekt. De eerste vrije val sprong werd in 1914 gemaakt door Georgia "Tiny" Broadwick, maar voorlopig bleef het hierbij, want men leefde in de veronderstelling dat de belasting voor het menselijk lichaam te groot was en er na meer dan een paar seconden vrije val een black-out zou optreden.
Tot WO I was parachutespringen een rariteit en werd vooral als stuntwerk en waaghalzerij gezien, wat gezien de onbetrouwbaarheid van het materiaal naar de huidige maatstaven ook wel terecht was. WO I zorgde voor een grote ommekeer. Alhoewel men parachutes eerst niet "eervol" vond (de jachtvliegers van toen indetificeerden zich zeer sterk met de ridders uit de middeleeuwen en hielden er een vergelijkbare erecode op na) beseften de Duitsers als eersten dat het in een oorlog verstandiger is om zuinig om te gaan met hoogopgeleide en ervaren vliegers. De eerste ontsnapping uit een beschadigd vliegtuig komt op naam van een Australische piloot aan het Russische front in 1916 tijdens WO I. En aan het eind van de oorlog waren parachutes gemeengoed bij alle strijdende partijen.
Parachutespringen kreeg een heel nieuwe dimensie op 10 mei 1940. De Duitsers gebruikten als eersten op grote schaal de parachute als middel om snel grote hoeveelheden manschappen achter de vijandelijke linies te droppen in Nederland. Maar liefst 12.000 para's werden er gedropt, een record. Dit record werd pas verbroken op 17 september 1944 toen de geallieerden tijdens Operatie Market Garden meer dan 30.000 para's achter de Duitse linies dropten.
Tijdens WO II maakten veel jonge mannen kennis met de opwinding van parachutespringen en enkele paratroopers richtten na de oorlog clubs op om er mee door te gaan als hobby. In eerste instantie werden oude legerparachutes gebruikt, maar deze bleken al snel minder geschikt voor sportparachutespringen: het vouwen kostte veel tijd, de performance van de parachutes was niet al te best en het materiaal sleet snel. Hierbij moet men wel bedenken dat het hiervoor ook nooit ontworpen was.
In 1951 werden de eerste wereldkampioenschappen parachutespringen gehouden in Bled, Joegoslavië. In de jaren '50 ontdekte de Fransman Leo Valentin ook de principes die ten grondslag lagen aan de gecontroleerde vrije val. Na zo'n 150 vrije val sprongen had hij hier de sleutel toe gevonden.
Links Leo Valentin, "uitvinder" van de vrije val.
Tijdens de jaren '50 en '60 werden de ronde bollen verder ontwikkeld. Het zijde doek was inmiddels vervangen door kunststof materialen en er werden steeds meer gaten in de bollen gemaakt die zorgen voor voorwaartse snelheid en bestuurbaarheid.High performance ronde bollen uit dit tijdperk zijn de Piglets, Paracommanders, Sierras en Papillon parachutes. Ook kreeg de sport meer disciplines. In het begin was er alleen het precisie springen, het landen op een vooraf aangewezen punt, later kwam stijl, het maken van series rollen en draaien in de vrije val, en in de jaren '60 RW, het formatiespringen.
Tijdens de ruimtevaartprogramma's werd een vleugel bedacht om ruimtevaartuigen aan te laten afdalen. Doordat deze parawings geen betrouwbare openingen konden laten zien bij grote snelheden en lasten waren ze voor de ruimtevaart niet nuttig, maar des te meer voor het sportparachutspringen waar ze bekend werden onder de naam Paradactyl. In eerste instantie waren deze vleugels enkellaags en eigenlijk opengeknipte bollen, al was het principe van draagkracht fundamenteel gewijzigd: van het wrijving-principe naar het lift-principe.
In de jaren '60 bedacht Domina Jalbert, een bouwer van vliegers, de parafoil: 2 lagen stof met tussen schotten waardoor feitelijk een opvouwbare vleugel ontstond.
In 1964 werd het eerste wereldrecord formatiespringen gevestigd: een 6-mans formatie!
Tot 1965 was parachutespringen in Nederland verboden. Incidenteel werd er ontheffing verleend om uit militaire toestellen op vliegbasis Ypenburg te springen, dit in samenwerking met de Koninklijke Luchtmacht. Vrije val was simpelweg verboden en alleen staticline sprongen waren toegestaan, een techniek waarbij de parachute direct na het verlaten van het vliegtuig wordt geopend doordat deze daar met een lijn aan verbonden is. Eind 1965 werd het verbod opgeheven en begin 1966 werd de Eerste Nederlandse Parachutisten Club (ENPC) opgericht op vliegveld Seppe.
Eind jaren '70 werd de Paradactyl bijna overal vervangen door de parafoils, ook wel ram-air parachutes genoemd. In de volksmond worden dit ook wel de matras- of squareparachutes genoemd. Met de intrede van deze parachutes, waarmee heel zacht geland kan worden veranderde ook het karakter van de sport: van geharde avonturiers naar een sport voor een breder publiek.

Paradactyl. |

Parafoil voor de NASA. |

Parafoil als sportparachute. |
Door de groei van de sport kwam de ontwikkeling van materiaal en techniek in een stroomversnelling. De parachutes werden betrouwbaarder, er kwamen betere trainingsmethoden en technieken en meer en betere veiligheidshulpmiddelen. Om enkele voorbeelden te noemen: eind jaren '70 het 3-ring releasesyteem waarmee een niet goed geopende parachute met 1 beweging snel kon worden verwijderd, begin jaren '80 het tandemspringen, waardoor de toegangkelijkheid van de sport enorm toenam voor nagenoeg de gehele bevolking, midden jaren '80 de AFF vrije val opleiding waardoor men snel en goed vrije val kon leren springen, begin jaren '90 de Cypres AAD de elektronische automatische opener die neerstorten zonder geopende parachute zeer sterk reduceerde. Een nieuwe wedstrijddiscipline die rechtstreeks voortkwam uit de veranderingen op materiaalgebied was het CRW: Canopy Relative Work, het met geopende parachutes figuren maken.
Gedurende de jaren '90 werd de sport meer geprofessionaliseerd: de parachutes en materialen werden verder verbeterd evenals de traningstechnieken. Het feit dat elektronica steeds kleiner werd heeft een grotere rol gespeeld dan menigeen beseft, waardoor het eenvoudig werd videobeelden van de vrije val te maken, wat ervoor zorgde dat de sport dichter bij het grote publiek werd gebracht. De techniek maakt ook nieuwe disciplines mogelijk waaronder freelfly, freestyle, speedskydiving en wingsuit flying.
Eind jaren '90 van de 20e eeuw hebben de ontwikkelingen in het materiaal een dermate hoge vlucht genomen (met name ten aanzien van zeer wendbare eliptische parachutes) dat er discussies onstaan of de capaciteiten van springers wel voldoende zijn om hiermee om te gaan.
Bronnen:
De mens in de ruimte
Chriet Titulaer
Elsevier Nederland BV, 1982 ISBN 90100 38599
Handboek Sportparachutist
Uitgave: Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart
Skybound, Het avontuur van het vliegen.
Leo van der Goot
Elmar BV, 1992 ISBN 90389 0035x
Sport Parachutist (tijdschrift KnvvL, 1995-2003)
Uitgave: Koninklijke Nederlandse Vereniging voor Luchtvaart
Internet:
http://www.history.navy.mil/photos/prs-tpic/females/wvw2-ap.htm
http://www.fai.org/parachuting/ |